|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
Zijn de problemen thuis zo groot dat een kind voor lange tijd niet meer thuis kan wonen, dan wordt een pleeggezin voor langere termijn gezocht. Dit kan een pleeggezin zijn dat de STAP-training heeft doorlopen (bestandsgezin) of een pleeggezin uit het sociale netwerk van het gezin (netwerkgezin). Pleegzorg duurt maximaal totdat het pleegkind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Sporadisch wordt verlengde hulpverlening geïndiceerd, waardoor pleegzorg kan worden voortgezet tot maximaal 23 jaar. De aanvraag hiervoor dient een half jaar voordat het pleegkind 18 wordt ingediend te worden. Uw pleegzorgwerker kan u hierbij helpen
Dit vraagt van pleegouders: Omdat uw pleegkind langere tijd bij u zal wonen, is het belangrijk dat het goed klikt tussen uw gezin en uw pleegkind. De contacten worden daarom geleidelijk opgebouwd. Ook uw (eventuele) eigen kinderen hebben hierin een belangrijke plaats. Vaak wordt gekozen voor een pleeggezin waarvan de eigen kinderen ouder zijn dan het pleegkind om gevoelens van concurrentie te vermijden. Het is belangrijk te weten dat ‘langdurig’, niet voor ‘altijd’ hoeft te zijn. Hoe lang lang is, is per situatie verschillend. Er kan een moment komen dat de ouders de opvoedingstaak weer op zich kunnen nemen. Een terugplaatsing zal uiteraard niet van de ene op de andere dag gebeuren. Zolang uw pleegkind niet thuis kan wonen, blijft hij bij u wonen. Voorzover mogelijk blijven de ouders wel betrokken bij hun kind. Het is afhankelijk van de thuissituatie hoe intensief de contacten met de ouders zijn.
|
 |
|
|
|
 |
Niet alle kinderen gedijen het best in een pleeggezin. Ook vinden sommige ouders een plaatsing in een pleeggezin te bedreigend. Een alternatief is het gezinshuis. Een gezinshuis is een professionele woonvorm, speciaal voor kinderen die niet meer thuis kunnen wonen, maar die, door bijvoorbeeld een hechtingsstoornis, ook niet in een gewoon pleeggezin kunnen wonen. Het gezinshuis benadert zoveel mogelijk het normale gezinsleven, maar de gezinshuisouders krijgen extra begeleiding bij hun vaak gecompliceerde taak. Een groep van hulpverleners (gedragsdeskundige, ambulant hulpverlener) stuurt en begeleidt het gezin. Gezinshuisouders lijken in de meeste opzichten op ‘gewone’ pleegouders. Echter: De dienstwoning waarin het gezin, met eventuele eigen kinderen woont, wordt door de pleegzorginstelling beschikbaar gesteld aan de gezinshuisouders. Soms is het mogelijk om vanuit een eigen huis te werken. Er zijn veel en grote verschillen tussen de gezinshuizen onderling. Gemiddeld wonen 4 tot 6 kinderen in een gezinshuis, waarvan minstens een ouder een arbeidsovereenkomst heeft met de instelling. Om het gezinshuis mee te dragen, heeft de partner ook een overeenkomst met de instelling. Soms is er ook een huishoudelijke hulp en een parttime groepsleider om drukke dagdelen of weekenden op te vangen. De contacten met de eigen ouders blijven bestaan.
Dit vraagt van pleegouders: U bent geen pleegouder maar gezinshuisouder. U moet open staan voor begeleiding en sturing door vele hulpverleners. De geplaatste pleegkinderen hebben vaak veel moeite met hechten en diepgaande contacten en zullen veelal aanvullende hulp nodig hebben. Als gezinshuisouder moet u daarmee rekening houden. Uiteraard moet u opgewassen zijn tegen de hectiek van een groot gezin: Wonen, leven en werken lopen door elkaar.
|
 |
|